Al die keren dat ik moest uitleggen waar ik vandaan kom. Hoe “ze” daar leven. En moest aanhoren dat ik niet écht hier hoor.
Soms in keiharde beledigingen.
Soms verpakt in “complimenten.”
“Wat spreek je goed Nederlands.”
“Jij bent altijd keurig op tijd. Daar doen jullie niet aan toch?”
Misschien nog treuriger zijn al die jaren dat ik dat ergens ook voelde. Die tweestrijd. Is Nederland mijn thuis? Mag ik dit land claimen? En later in mijn leven: wíl ik dat?
Maar als het antwoord nee is — waar hoor ik dan wel?
Ik ben opgevoed met veel liefde voor mijn roots. Trots. Kin omhoog, borst vooruit.
Maar ook met: we zijn hier te gast. Hou je gedeisd. Je zal altijd twee keer zo hard moeten werken. Je bent een zwarte vrouw. Twee keer achterstand.
Het heeft me gevormd. Niet alleen negatief. Maar verwarrend is het wel.
Ik moest een veertiger worden om te leren dat ik — en met mij hele generaties — ben opgevoed met halve waarheden.
GDP.
Resources.
Berlin Conference.
NGO.
Neo-kolonialisme.
Woorden die me hielpen begrijpen dat de geschiedenis niet voorbij is.
Toen volgde mijn reizen.
Suriname.
Ghana.
Die twee plekken leerden me meer.
El Mina.
Cape Coast.
Kromanti.
Opgaan in de menigte.
Dualiteit gaf duidelijkheid.
Ik hoor hier wel.
Ik hoor hier én daar.
Ik mag beide werelden claimen.
Ik heb een taak om anderen dit mee te geven.
Zodat onze kinderen dit zichzelf en elkaar nooit meer hoeven te vragen.