Ze was stoer en sterk.
Ze wilde hier duidelijk niet zijn.
Ze was nonchalant en cynisch.
Weerstand.
Ik had hier geen zin in.
Ze was opgegeven door haar partner — mijn goede kennis. En alleen om die reden deed ik mijn best.
Ik vroeg haar wat ze wilde bereiken.
Ze zei niks.
Ik vroeg haar of ze bij haar gevoel kon.
Ze zei van wel.
Ik vroeg haar wat ze voelde.
Ze zei niks.
Ik zei: dat is helemaal prima.
Je bent goed zoals je bent.
Ik vroeg haar wat in haar de luidste stem was.
Ze zei niks.
Ze keek me even recht aan. Haar ogen waren onrustig, bijna zoekend — maar hadden ook iets dwingends. Was ze me nou aan het uitdagen?
Ik wilde opgeven.
Toen keek ze weg. In stilte. Naast de vogeltjes buiten hoorde ik gesnik.
Tranen.
Ik nam diep adem en vroeg haar om met me mee te ademen. En ze deed wat ik vroeg.
We ademden diep in en lang uit.
Keer op keer. Er ontstond een ritme.
We zakten. En zeiden heel lang niks.
Ik zocht naar ruimte voor ons allebei.
En zij?
Geen idee.
Maar ik voelde: dit is goed.
Soms zijn woorden overbodig. Dit was zo’n moment.
Toen ik wilde afronden zei ze zachtjes — meer tegen zichzelf dan tegen mij.
“Ik ben dit zat.
Ik kan niet meer.”